ECLI:NL:HR:2011:BO5822

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00235
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 7:900 lid 1 BWArt. 7:907 BWArt. 7:908 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bindendverklaring WCAM-overeenkomst ondanks betwiste vernietiging effectenlease-overeenkomst

In deze zaak vorderen eisers een verklaring voor recht dat de effectenlease-overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW. De kantonrechter en het gerechtshof hebben deze vordering afgewezen en geoordeeld dat eisers gebonden zijn aan de WCAM-overeenkomst, een collectieve vaststellingsovereenkomst die op grond van artikel 7:907 BW Pro verbindend is verklaard.

Eisers hadden de effectenlease-overeenkomst betwist en vernietiging daarvan opgeëist, maar Dexia betwistte de vernietigbaarheid en de vernietiging is niet in rechte of anderszins vastgesteld. Ten tijde van de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst bestond daardoor onzekerheid over de geldigheid van de overeenkomst, die vatbaar was voor beëindiging door een vaststellingsovereenkomst.

Eisers maakten geen gebruik van de opt out-regeling zoals bepaald in artikel 7:908 lid 2 BW Pro, waardoor zij als gerechtigden aan de WCAM-overeenkomst zijn gebonden. De Hoge Raad bevestigt dat de WCAM-overeenkomst ook betrekking heeft op aanspraken die zonder die overeenkomst op vernietiging zouden kunnen worden gebaseerd, en verwerpt het cassatieberoep van eisers.

De Hoge Raad veroordeelt eisers in de kosten van het geding en bevestigt daarmee de verbindendheid van de WCAM-overeenkomst ondanks de betwiste vernietiging van de effectenlease-overeenkomst.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eisers gebonden zijn aan de WCAM-overeenkomst ondanks hun betwiste vernietiging van de effectenlease-overeenkomst.

Uitspraak

28 januari 2011
Eerste Kamer
10/00235
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1], en
2. [Eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
Eisers zullen hierna afzonderlijk ook worden aangeduid als [eiser 2] en [eiseres 1], gezamenlijk ook als [eiser] c.s., verweerster ook als Dexia.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 534781 van de kantonrechter te Eindhoven van 8 mei 2008;
b. het arrest in de zaak HD 200.013.066 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 september 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Dexia mede door mr. Y.A. Wehrmeijer, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 10 december 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] c.s. zijn echtelieden.
(ii) [Eiser 2] heeft op 29 december 1999 met een rechtsvoorganger van Dexia een effectenlease-overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Het betreft een overeenkomst met een looptijd van 120 maanden en een totale leasesom van € 9.896,07. De eerste 36 maandtermijnen zijn bij vooruitbetaling voldaan. Voorts is nog een aantal maandtermijnen betaald.
(iii) De overeenkomst is niet (mede-)ondertekend door [eiseres 1], met wie [eiser 2] ook destijds was gehuwd.
(iv) [Eiseres 1] heeft bij brief van 25 maart 2003 tegenover Dexia verklaard de overeenkomst op grond van de art. 1:88 en Pro 1:89 BW te vernietigen. Dexia heeft de vernietigbaarheid van de overeenkomst betwist.
(v) Dexia heeft de effectenlease-overeenkomst op 14 juli 2006 voortijdig beëindigd in verband met een betalingsachterstand van [eiser 2], waarna een door [eiser 2] aan Dexia te betalen bedrag resteerde van € 2.902,46. [Eiser 2] heeft dat bedrag niet aan Dexia betaald.
(vi) Dexia heeft [eiser 2] in februari 2007 bij brief in kennis gesteld van de beschikking van het hof Amsterdam van 25 januari 2007, waarin een op 8 mei 2006 tussen een aantal belangenorganisaties en Dexia tot stand gekomen overeenkomst (hierna: de WCAM-overeenkomst) (inclusief haar Bijlage A) op de voet van art. 7:907 BW Pro verbindend is verklaard voor de gerechtigden als bedoeld in art. 2 van Pro die overeenkomst en waarin de termijn is bepaald waarbinnen de gerechtigden kunnen laten weten niet gebonden te willen zijn aan de verbindendverklaring (de 'opt out'-periode zoals bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW Pro). Dexia heeft [eiser 2] daarbij ook geïnformeerd omtrent de opt out-regeling.
(vii) [eeiser] c.s. hebben geen opt out-verklaring afgelegd bij de daartoe in de WCAM-overeenkomst aangewezen notaris.
(viii) [Eiser] c.s. zijn 'gerechtigden' in de zin van de WCAM-overeenkomst.
3.2 [Eiser] c.s. vorderen in dit geding, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, een verklaring voor recht dat de overeenkomst door [eiseres 1] met de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde verklaring rechtsgeldig is vernietigd. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen en het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Het hof honoreerde het in eerste aanleg en hoger beroep door Dexia gevoerde verweer dat [eiser] c.s. aan de WCAM-overeenkomst gebonden zijn. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen laat zich als volgt samenvatten. De WCAM-overeenkomst bepaalt (in art. 14) onder meer dat de gerechtigden aan Dexia kwijting verlenen ter zake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid en het aangaan van de effectenlease-overeenkomsten en het Amsterdamse hof heeft in zijn hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde beschikking van 25 januari 2007 overwogen dat uit genoemd art. 14 volgt Pro dat gerechtigden die geen gebruik hebben gemaakt van de opt out-regeling ook hun vorderingen die verband houden met overeenkomsten die reeds door de belegger of zijn eega buitengerechtelijk zijn vernietigd, hebben prijsgegeven. De WCAM-overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst, een overeenkomst dus waarbij partijen een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, beëindigen door zich te binden aan een vaststelling daarvan. Nu tussen partijen verschil van mening bestaat over de vraag of de overeenkomst door de brief van [eiseres 1] rechtsgeldig is vernietigd, is tussen partijen van onzekerheid in de bedoelde zin sprake. Dexia heeft [eiser] c.s. op de voorgeschreven wijze mededeling gedaan van de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst en van de mogelijkheid zich aan die verbindendheid te onttrekken, waarvan [eiser] c.s. geen gebruik hebben gemaakt, zodat [eiser] c.s. aan de WCAM-overeenkomst zijn gebonden.
3.3 Het middel klaagt dat, nu [eiseres 1] de overeenkomst bij brief heeft vernietigd en de vordering van [eiser] c.s. een verklaring voor recht behelst dat de overeenkomst is vernietigd, het hof daaromtrent eerst diende te beslissen en dat, zou het tot het oordeel zijn gekomen dat de overeenkomst is vernietigd, van de aanvang af geen overeenkomst meer zou hebben bestaan en [eiser] c.s., zo begrijpt de Hoge Raad, niet gebonden kunnen zijn aan de later verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst.
3.4 Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat na de in de brief van 25 maart 2003 van [eiseres 1] vervatte verklaring strekkende tot vernietiging van de overeenkomst, de vernietiging van die overeenkomst rechtens ook vaststond. Deze opvatting is onjuist.
Nu Dexia te kennen had gegeven dat zij die vernietiging niet aanvaardde en deze niet in rechte of anderszins was komen vast te staan, bestond tussen partijen ten tijde van de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst onzekerheid in de zin van art. 7:900 lid 1 BW Pro, die vatbaar was voor beëindiging door een vaststellingsovereenkomst, tot welke categorie overeenkomsten, naar het oordeel van het hof dat in cassatie terecht niet is bestreden, de WCAM-overeenkomst gerekend moet worden. Nu [eiser] c.s., die zich niet op de voet van art. 7:908 lid 2 aan Pro de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst hebben onttrokken, als gerechtigden gelden in de zin van die overeenkomst en die overeenkomst, blijkens de vaststelling van het hof, mede betrekking heeft op de aanspraken die [eiser] c.s. zonder die overeenkomst aan het inroepen van de vernietigingsgrond zouden hebben kunnen ontlenen, heeft het hof [eiser] c.s. terecht aan de WCAM-overeenkomst gebonden geacht en geoordeeld dat voor toewijzing van hun vordering daarom geen plaats meer is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dexia begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven,
W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 januari 2011.