ECLI:NL:HR:2011:BO5823
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en afwijzing aanhoudingsverzoek
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2008, waarin de verdachte niet aanwezig was bij de zitting vanwege verblijf in het buitenland. De raadsman vroeg namens verdachte om aanhouding van de zaak, met beroep op het aanwezigheidsrecht, onder verwijzing naar eerdere arresten van de Hoge Raad. Het hof wees het verzoek af omdat onvoldoende bewijs werd geleverd van een overmachtsituatie, zoals een overboeking van de vlucht.
De verdediging leverde aanvullend bewijs, waaronder sms-berichten, een brief van een collega en een kopie van het paspoort, waaruit bleek dat verdachte zich daadwerkelijk in Brazilië bevond. Desondanks bleef het hof bij zijn oordeel dat het belang van een tijdige afdoening zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht van verdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, omdat het verzoek niet als een nieuw aanhoudingsverzoek was gedaan en onvoldoende feitelijke grondslag had. Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien naar zestien maanden.
Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de straf wordt verminderd. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien naar zestien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen.