ECLI:NL:HR:2011:BO6150

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02999
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Levenslange gevangenisstraf voor medeplegen van moord na schietpartij in Rotterdams café

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord na een schietpartij in een Rotterdams café. Het gerechtshof te 's-Gravenhage had de verdachte reeds tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep en concludeerde dat de middelen van de verdediging niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.

Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet leent voor vermindering. Daarom volstond de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn was overschreden, zonder dat dit leidde tot strafvermindering of andere gevolgen. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: De levenslange gevangenisstraf voor medeplegen van moord wordt bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22 februari 2011
Strafkamer
nr. 09/02999
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 juli 2009, nummer 22/004190-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Torentijd" te Middelburg.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Aangezien de aan de verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor vermindering leent, zal de
Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 februari 2011.