ECLI:NL:HR:2011:BP0344
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en beoordeling rol tolk in opsporingsonderzoek
In deze strafzaak tegen verdachte is het beroep in cassatie behandeld door de Hoge Raad op 29 maart 2011. De kern van het geschil betrof de rol van een tolk die tijdens het afluisteren van tapgesprekken in een strafrechtelijk onderzoek informatie doorgaf aan opsporingsambtenaren, en de vraag of dit onrechtmatig was en tot uitsluiting van bewijs moest leiden.
Het hof oordeelde dat de tolk, hoewel hij ook gesprekken in het Nederlands doorgaf, geen onrechtmatig handelen had verricht en dat er geen sprake was van een schending van het fair-trial beginsel. De Hoge Raad onderschreef dit oordeel en verwierp het middel dat stelde dat de tolk opsporingswerkzaamheden verrichtte zonder bevoegdheid.
Daarnaast stelde verdachte dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat de termijn in cassatie meer dan zestien maanden bedroeg, wat leidt tot een vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot zeven jaar en zes maanden.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de bewijsuitsluiting standhield.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep tegen onrechtmatige bewijsgaring wordt verworpen.