ECLI:NL:HR:2011:BP1277
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Cassatie over overschrijding redelijke termijn in strafzaak met beperkte straf
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel betrof de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden door het te laat aanleveren van stukken door het hof.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, mede omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte straf van 35 dagen en de mate van overschrijding zag de Hoge Raad echter geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden en volstond met de constatering.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 8 maart 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn vanwege de beperkte straf.