ECLI:NL:HR:2011:BP1410
Hoge Raad
- Cassatie
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwalificatie gederfd woongenot als vermogensschade of immaterieel nadeel
In deze zaak stond de vraag centraal of gederfd woongenot moet worden gekwalificeerd als vermogensschade of als immaterieel nadeel in het kader van een schadestaatprocedure. De procedure betrof een cassatieberoep tegen eerdere arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage.
De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en behandelde de stellingen van partijen met betrekking tot de kwalificatie van de schade. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep voor een deel niet-ontvankelijk moest worden verklaard en voor het overige moest worden verworpen.
De Hoge Raad volgde deze conclusie, verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich richtte tegen bepaalde tussenarresten en verwierp het beroep voor het overige. De kosten van het geding werden aan de zijde van de verweerster begroot en aan eiser opgelegd.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren A. Hammerstein (voorzitter), W.D.H. Asser en C.E. Drion en in het openbaar uitgesproken door E.J. Numann op 25 maart 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige verworpen.