ECLI:NL:HR:2011:BP1413

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04085
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over verjaring bij onrechtmatige overheidsdaad met voortdurende schade

In deze zaak stond de vraag centraal wanneer de verjaringstermijn aanvangt voor een rechtsvordering op grond van een onrechtmatige overheidsdaad waarbij sprake is van voortdurende schade. Eiseres, handelend onder de naam A, had een procedure gevoerd tegen de Staat der Nederlanden.

De zaak was in eerdere instanties behandeld, waarbij de rechtbank en het gerechtshof respectievelijk vonnissen en arresten hadden gewezen. Tegen het arrest van het hof stelde eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overwoog dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro aanvangt zodra de benadeelde kennis heeft van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar bij voortdurende schade pas begint te lopen vanaf het moment dat de schade ophoudt. De klachten van eiseres konden niet leiden tot cassatie, zodat het beroep werd verworpen.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres tevens in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president Beukenhorst en raadsheren van Oven, Streefkerk, Asser en Drion, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 11 maart 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

11 maart 2011
Eerste kamer
09/04085
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1], handelende onder de naam [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2],
3. [Eiser 3],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [A] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 226175/HA ZA 04-2595 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juli 2007;
b. het arrest in de zaak 105.007.155/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [A] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 maart 2011.