ECLI:NL:HR:2011:BP1768
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij tenuitvoerlegging buitenlandse uitspraak inzake verdeling gezamenlijke onroerende zaken
In deze zaak ging het om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd was om verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen aan een in Duitsland gewezen vonnis dat een verdeling van gezamenlijk eigendom van onroerende zaken in Nederland beoogde. Verzoekers hadden in de Duitse procedure aanvankelijk een bevoegdheidsverweer op grond van art. 22 EEX Pro-Verordening gevoerd, maar dit ingetrokken en geen rechtsmiddelen tegen het Duitse vonnis ingesteld.
De rechtbank wees het verzoek tot intrekking van het verlof af, stellende dat verzoekers in de Duitse procedure alle mogelijkheden hadden om het vonnis aan te vechten. De Hoge Raad oordeelde echter dat de Nederlandse rechter ambtshalve en zelfstandig moet beoordelen of de Duitse rechter bevoegd was, ook als de gedaagde verschijnt en de bevoegdheid niet betwist.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de vordering tot verdeling van gezamenlijk eigendom geen betrekking heeft op een zakelijk recht in de zin van art. 22, onder 1, EEX-Verordening, maar op een persoonlijk recht dat niet tegenover derden kan worden ingeroepen. Ook als de gemeenschap als vennootschap zou worden aangemerkt, is art. 22, onder 2, niet van toepassing omdat het geschil ziet op de wijze van verdeling en niet op de geldigheid, nietigheid of ontbinding van die vennootschap.
Het beroep van verzoekers werd verworpen en zij werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep van verzoekers wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek tot intrekking van het verlof tot tenuitvoerlegging blijft in stand.