ECLI:NL:HR:2011:BP2740
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling derdenwerking Salduz-rechtspraak en bewijsuitsluiting medeverdachte
In deze zaak stond centraal de vraag of verklaringen van medeverdachten die zijn afgelegd zonder voorafgaand overleg met een raadsman, uitgesloten moeten worden van bewijs op grond van de Salduz-rechtspraak. De verdediging stelde dat het ontbreken van rechtsbijstand bij het verhoor van een medeverdachte een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt, met bewijsuitsluiting als gevolg.
De Hoge Raad bevestigde dat de bescherming uit de Salduz-rechtspraak beperkt is tot de verdachte zelf en niet strekt tot verklaringen van medeverdachten. De zogenoemde derdenwerking van deze normen wordt verworpen, mede omdat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in relevante arresten geen verruiming van het normatieve kader heeft geformuleerd.
Daarnaast werd geoordeeld dat het beletten van een getuige om een handeling te verrichten, zoals het tonen van een litteken, niet valt onder artikel 293 Sv Pro omdat dit geen verklaring in de zin van het wetboek betreft. Het hof heeft de verklaringen van de medeverdachte als getuigenverklaringen toegelaten, tenzij de betrouwbaarheid wezenlijk is aangetast.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de verklaringen van de medeverdachte in de strafzaak van de verdachte als bewijs mogen worden gebruikt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verklaringen van medeverdachten zonder advocaat vooraf als bewijs mogen worden gebruikt.