ECLI:NL:HR:2011:BP2993

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00079
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.12 lid 5 Wet IB 2001Art. 8.14 lid 3 Wet IB 2001Art. 8.15 lid 3 Wet IB 2001Art. 8.16 lid 3 Wet IB 2001
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtvaardigd verschil in heffingskortingen bij geboorte versus overlijden van kind

Belanghebbende, moeder geworden in juli 2006, vorderde voor dat jaar diverse heffingskortingen voor kinderen, waaronder de kinderkorting en alleenstaande-ouderkorting. Zij voldeed echter niet aan de wettelijke eis dat het kind meer dan zes maanden in haar huishouden moest verblijven.

Zij stelde dat deze eis in het jaar van geboorte discriminatoir was ten opzichte van situaties waarin het kind of de ouder overlijdt, omdat in die gevallen wel recht op kortingen bestaat zonder de zesmaandseis. Zowel de Rechtbank als het Hof verwierpen dit standpunt.

De Hoge Raad bevestigde dat de regeling die de zesmaandseis bevat, is bedoeld om te voorkomen dat heffingskortingen onterecht moeten worden terugbetaald bij overlijden binnen zes maanden. Deze regeling is objectief en redelijk gerechtvaardigd, waardoor het verschil in behandeling tussen geboorte en overlijden niet onrechtmatig is.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verschil in behandeling is gerechtvaardigd.

Uitspraak

nr. 10/00079
4 februari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 april 2010, nr. 08/00639, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/1966) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is op 29 juli 2006 moeder geworden van een kind. Dit kind is op 31 juli 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres van belanghebbende.
3.2. Belanghebbende maakt voor het jaar 2006 aanspraak op toepassing van de kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (hierna tezamen: de kortingen). Zij voldoet niet aan de voor de kortingen geldende eis dat het kind in het kalenderjaar meer dan zes maanden tot haar huishouden behoort. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer het standpunt ingenomen dat het stellen van deze eis in het jaar van geboorte van het kind discriminatie oplevert ten opzichte van het geval waarin niet aan die eis wordt voldaan als gevolg van het overlijden van de ouder of het kind, in welk geval, aldus belanghebbende, wel recht bestaat op de kortingen (krachtens de artikelen 8.12, lid 5, 8.14, lid 3, 8.15, lid 3, en 8.16, lid 3, Wet IB 2001 (tekst 2006)).
3.3. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Hiertegen richten zich de middelen.
3.4.1. De regeling die is vervat in de onder 3.2 (slot) bedoelde artikelleden beoogt te voorkomen dat (een deel van de) heffingskorting die is begrepen in de voorlopige teruggaaf zou moeten worden terugbetaald in het geval dat een kind of een partner overlijdt zonder dat aan de termijn van zes maanden is voldaan (Kamerstukken II 2001/02, 28 013, nr. 3, blz. 25). Achtergrond van de regeling is dat een dergelijke maatregel blijk zou geven van ongewenste hardheid (zie de beantwoording van vragen van het Kamerlid Kuijper, Aanhangsel Handelingen II 2001/02, nrs. 892 en 1041).
3.4.2. Voor zover het geval van belanghebbende al gelijk kan worden geacht aan het geval waarop de zojuist bedoelde regeling betrekking heeft, volgt uit de onder 3.4.1 bedoelde achtergrond een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderwerpelijke verschil in behandeling. Om deze reden kunnen de middelen, wat daarvan verder zij, niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.