Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2011:BP4786

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01250
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzet tegen arrest Hoge Raad inzake herzieningsverzoek belastingaanslag

Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2010, waarin zijn verzoek tot herziening van eerdere arresten van de Hoge Raad werd afgewezen. Het verzoek tot herziening betrof arresten over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1989.

De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich te laten horen tijdens een zitting op 15 december 2010. Bij de beoordeling van het verzet is vastgesteld dat een verzoek tot herziening ingevolge artikel 8:88 Awb Pro moet worden ingediend bij het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt gevraagd. Dit betekent dat herziening van een gerechtshofuitspraak in belastingzaken niet bij de Hoge Raad kan worden gevraagd.

Verder is vastgesteld dat het verzet zich richtte op twee arresten van de Hoge Raad, van 12 oktober 2007 en 28 mei 2004. De aangevoerde feiten en omstandigheden boden geen grond voor een andere beslissing dan reeds gegeven, aangezien deze feiten belanghebbende vóór de arresten bekend waren en het beperkte toetsingskader van de Hoge Raad geen andere uitkomst zou rechtvaardigen.

De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond en ziet geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het verzet van belanghebbende tegen het arrest van 24 september 2010 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

nr. 10/01250
18 februari 2011
Arrest
gewezen op het verzet van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 september 2010, nr. 10/01250, betreffende het verzoek tot herziening van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 oktober 2007, nr. 42334 en van 28 mei 2004, nr. 39160, LJN AP0228, BNB 2004/249.
1. De uitspraak op het verzoek tot herziening
Bij arrest van 24 september 2010, nr. 10/01250, heeft de Hoge Raad na toepassing van artikel 8:88, lid 2, in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen het verzoek van belanghebbende tot herziening van het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, nr. 42334, dat is gewezen op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2005, nr. 04/00965. Deze uitspraak betrof de aan belanghebbende over het jaar 1989 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2010 is aan dit arrest gehecht.
2. Het verzet
Belanghebbende heeft tegen het arrest van 24 september 2010 verzet gedaan. Het verzetschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift verzocht te worden gehoord. De Hoge Raad heeft belanghebbende daartoe in de gelegenheid gesteld ter zitting van 15 december 2010, alwaar belanghebbende is verschenen en gehoord.
3. Beoordeling van het verzet
3.1. Vooropgesteld dient te worden dat een verzoek tot herziening ingevolge artikel 8:88 van Pro de Awb door een partij moet worden gedaan bij het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt verzocht (zie HR 17 december 2004, nr. 40607, LJN AR7765, BNB 2005/84). Als gevolg daarvan kan een partij, indien zij herziening wenst van een uitspraak van een gerechtshof in een belastingzaak, geen daartoe strekkend verzoek indienen bij de Hoge Raad. Het procesrecht in belastingzaken wijkt in dit opzicht af van het strafprocesrecht, waarop belanghebbende zich in verzet kennelijk baseert.
3.2. Bij gelegenheid van de hoorzitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat zijn herzieningsverzoek niet alleen betrekking heeft op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2007, nr. 42334, maar tevens op het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2004, nr. 39160, LJN AP0228, BNB 2004/249. Bij de beoordeling van het verzet heeft de Hoge Raad het herzieningsverzoek derhalve opgevat als te zijn gericht tegen beide voormelde arresten.
3.3. Voor zover hetgeen bij verzet is aangevoerd een nadere toelichting behelst van feiten en omstandigheden die bij het onderhavige verzoek tot herziening reeds zijn aangevoerd, biedt het geen grond voor een andere beslissing op het verzoek om herziening dan bij het arrest van 24 september 2010 is gegeven, nu die aangevoerde feiten belanghebbende vóór de arresten van de Hoge Raad reeds bekend waren. Voor het overige behelst het verzetschrift feiten die, indien zij de Hoge Raad vóór het wijzen van zijn arresten bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, in cassatie niet tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden (vgl. HR 12 maart 2004, nr. 39587, LJN AO5547, BNB 2004/226).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.