ECLI:NL:HR:2011:BP4796

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 BWArt. 1:404 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en herziening kinderalimentatie bij wisselende draagkracht man

De zaak betreft de vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor hun drie minderjarige kinderen. De rechtbank had de bijdrage van de man vastgesteld op €137 per kind per maand vanaf 1 december 2008. Het hof stelde vast dat de man wisselende inkomens had: een bruto maandsalaris tot april 2009, gevolgd door periodes met WW-uitkering en tijdelijk werk.

Het hof oordeelde dat de man vanaf 1 juni 2009 geen draagkracht meer had voor kinderalimentatie en stelde de bijdrage vanaf die datum op nihil. De vrouw stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de draagkracht van de man na 1 juni 2009, met name tijdens zijn tijdelijke dienstverband, nihil zou zijn.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofvonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor een nieuwe beoordeling, waarbij ook het verweer van de vrouw over terugbetaling van teveel betaalde bijdragen opnieuw moet worden bekeken.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens onvoldoende motivering draagkracht en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling.

Uitspraak

20 mei 2011
Eerste Kamer
10/02404
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 255365/FA RK 08-5690 van de rechtbank Utrecht van 25 februari 2009 en 1 april 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.040.793 van het gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 De zaak gaat over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, die bijdragen met ingang van 1 december 2008 bepaald op € 137,-- per kind en per maand.
3.2 Het hof heeft in zijn rov. 3.5 vastgesteld dat de man (a) tot 1 april 2009 werkzaam is geweest bij Vending@Work B.V. en aldaar een inkomen genoot van € 2.938,62 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, (b) van 1 juni 2009 tot 2 september 2009 een WW-uitkering heeft ontvangen die € 1.547,69 bruto per vier weken bedroeg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, (c) tussen 2 september 2009 en 1 januari 2010 in dienst is geweest van H2 uitzendorganisatie BV en in die periode een inkomen genoot van € 1.900,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW en (d) thans weer een WW-uitkering van € 1.547,69 bruto per vier weken ontvangt, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.
3.3 Hiervan uitgaande heeft het hof geoordeeld dat de man met ingang van 1 juni 2009 geen draagkracht meer heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, nu vaststaat dat de man met ingang van 1 juni 2009 is aangewezen op een WW-uitkering, de beschikking van de rechtbank voor zover die ziet op de tot die datum door de man te betalen bijdragen in stand gelaten en die bijdragen voor de periode vanaf 1 juni 2009 op nihil gesteld (rov. 4.14 en 4.15).
3.4 De klacht van middel I (onder 5.4 en 5.5 in verbinding met 5.3) dat de beschikking van het hof onvoldoende met redenen omkleed is nu in die beschikking geen gemotiveerde beslissing valt te lezen met betrekking tot de draagkracht van de man gedurende de periode na 1 juni 2009 waarin de man wel een baan had - zie hiervoor in 3.2 onder (c) - is gegrond.
3.5 De overige klachten van middel I kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6 Middel II behoeft geen behandeling. Het verwijzingshof zal het daarin aan de orde gestelde verweer van de vrouw dat zij tot terugbetaling van eventueel teveel betaalde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen niet in staat is, opnieuw moeten beoordelen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.C. van Oven, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 mei 2011.