ECLI:NL:HR:2011:BP6159
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvolledige motivering bij DNA-profiel inbreuk
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor woninginbraak en diefstal uit een auto, waarbij DNA-sporen een belangrijke rol speelden.
Het hof had geoordeeld dat het bevel tot afname van celmateriaal na een eerdere veroordeling niet hoefde te worden uitgevoerd omdat reeds een DNA-profiel van de verdachte in de databank aanwezig was. Dit leidde tot een match met DNA-sporen van de gepleegde feiten. De verdediging stelde dat het DNA-profiel onrechtmatig was verkregen omdat de verdachte in een eerdere zaak was vrijgesproken en het profiel dus verwijderd had moeten worden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of de uitzondering in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing was, waardoor het oordeel onbegrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaringen en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
De overige klachten worden verworpen omdat zij niet leiden tot cassatie. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en uitgesproken op 31 mei 2011.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.