ECLI:NL:HR:2011:BP7001
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing na termijnverstrijking
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant, de vader, ontvankelijk had moeten worden verklaard in hoger beroep tegen een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind. De machtiging was verleend voor een bepaalde termijn, die inmiddels was verstreken. De rechtbank en het gerechtshof hadden het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het verstrijken van deze termijn.
De vader stelde dat er een bijzonder belang bestond op grond waarvan hij toch ontvankelijk had moeten worden verklaard. De Hoge Raad heeft dit betoog onderzocht maar oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beslissingen van de lagere instanties.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren van Buchem-Spapens, van Schendel, Streefkerk en in het openbaar door Numann op 10 juni 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het verstrijken van de termijn.