ECLI:NL:HR:2011:BQ2001
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens niet gemotiveerd oordeel over redelijke termijn en strafvermindering
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 31 mei 2011 arrest gewezen over het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was sinds 2001 in onderzoek en berechting, waarbij een overschrijding van de redelijke termijn werd aangevoerd.
De verdediging stelde dat de totale duur van de procedure, van aanhouding tot einduitspraak, ongeveer 19 maanden langer was dan de redelijke termijn die volgens de jurisprudentie maximaal twee jaar mag bedragen tussen aanvang van de procedure of het instellen van een rechtsmiddel en de einduitspraak. Er waren geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigden en de overschrijding was niet aan de verdachte te wijten.
Het hof had nagelaten om uitdrukkelijk en met redenen omkleed op dit verweer te beslissen, hetgeen de Hoge Raad als een vormverzuim beoordeelde. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof, maar beperkte de vernietiging tot de strafoplegging. Vervolgens verminderde de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf tot vijf maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan omwille van de doelmatigheid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.