ECLI:NL:HR:2011:BQ3136
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De verdachte was in voorlopige hechtenis en stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van veertien jaar naar dertien jaar en zes maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen omdat de overige middelen niet tot cassatie konden leiden.
De schriftuur van de benadeelde partij voldeed niet aan de vereisten om als cassatiemiddel te dienen en bleef daarom onbesproken. De Hoge Raad zag geen grond om het arrest ambtshalve te vernietigen en deed de uitspraak op 20 september 2011.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot dertien jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.