ECLI:NL:HR:2011:BQ3667
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van beklag tegen beslag op inbeslaggenomen geldbedrag
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag waarvan klager teruggave verzocht via een klaagschrift op grond van art. 552a Sv. Het hof verklaarde klager niet-ontvankelijk omdat het beslag nog niet was beëindigd en verwees naar een arrest van de Hoge Raad dat op een andere situatie ziet.
De Hoge Raad overweegt dat zolang het beslag niet is beëindigd, een belanghebbende die zich als rechthebbende op het geldbedrag stelt, ontvankelijk is in zijn beklag. Het oordeel van het hof dat klager geen belang had bij behandeling van het klaagschrift is onjuist.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar het hof om het klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen. Hiermee wordt bevestigd dat de procedurele rechten van de belanghebbende bij beslag op geldbedragen gewaarborgd blijven zolang het beslag voortduurt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug voor herbehandeling van het klaagschrift.