ECLI:NL:HR:2011:BQ3787
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering materiële schade in mensenhandelzaak
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor mensenhandel en aanverwante feiten, waaronder het uitbuiten van een slachtoffer door haar te vervoeren, huisvesten en dwingen tot seksuele handelingen. Het hof had de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toegewezen, waarbij een bedrag van €1.800,- aan materiële schade werd vastgesteld op basis van een periode van drie weken. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bij de berekening van de materiële schade was uitgegaan van een periode van drie weken, terwijl de benadeelde partij had gesteld dat zij ruim vier weken had gewerkt. Hierdoor was de motivering ontoereikend en moest het arrest worden vernietigd en de zaak worden terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar naar vier jaar en negen maanden. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beslissing over de schadevergoeding en de daaraan verbonden maatregelen. De Hoge Raad wees tevens op de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij de vaststelling van de schadevergoeding in strafzaken waarin benadeelde partijen zijn betrokken.
Uitkomst: Het arrest van het hof is deels vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde behandeling van de schadevordering, met vermindering van de gevangenisstraf tot vier jaar en negen maanden.