ECLI:NL:HR:2011:BQ4673
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens eenvoudige bankbreuk door buitensporige verteringen ondanks tijdelijke lagere inkomsten
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor eenvoudige bankbreuk op grond van buitensporige verteringen tijdens zijn faillissement.
Verdachte had in de periode van juli 2005 tot februari 2006 aanzienlijk meer uitgegeven dan zijn inkomsten, ondanks zijn kennis van de financiële problemen. Hij hield hoge vaste lasten aan, zoals een huurhuis in Spanje, dure leaseauto's en internationale schoolkosten voor zijn kinderen, zonder zijn uitgavenpatroon aan te passen aan de gedaalde inkomsten.
Het hof oordeelde dat deze uitgaven onverantwoord en niet-zakelijk waren en kwalificeerde dit als eenvoudige bankbreuk. Verdachte voerde aan dat hij slechts tijdelijk lagere inkomsten had en geen opzet had op benadeling van schuldeisers, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer. De wet vereist geen opzet op benadeling en richt zich op buitensporige verteringen, ongeacht tijdelijke inkomstenvermindering.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof, waarmee de veroordeling voor eenvoudige bankbreuk stand hield.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor eenvoudige bankbreuk wegens buitensporige uitgaven tijdens faillissement.