ECLI:NL:HR:2011:BQ5729
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring in zaak steunfraude wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk voordeel
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens steunfraude, waarbij hij zou hebben geprofiteerd van een door zijn partner door valsheid in geschrifte verkregen uitkering. Het hof Arnhem had bewezen verklaard dat verdachte samenwoonde met zijn partner en daardoor opzettelijk voordeel had getrokken uit de frauduleus verkregen uitkering.
De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van verdachte, zijn partner, getuigen uit de buurt, en proces-verbalen van sociaal rechercheurs. Deze toonden aan dat verdachte en zijn partner een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden en dat de partner onjuiste gegevens had verstrekt aan de gemeente Nijmegen om een uitkering te verkrijgen.
De verdediging voerde aan dat uit het dossier niet bleek dat verdachte wetenschap had van de fraude door zijn partner. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom uit het samenleven alleen al kon worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de valsheid in geschrifte en het opzettelijk voordeel. De bewezenverklaring voldeed daardoor niet aan de wettelijke motiveringsvereisten.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee werd het eerdere oordeel van het hof niet in stand gelaten vanwege het ontbreken van voldoende bewijs voor het opzettelijk voordeel van verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk voordeel.