ECLI:NL:HR:2011:BQ8000
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte was ten tijde van de aanzegging gedetineerd in een penitentiaire inrichting. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de straf met twee jaar en tien maanden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen, en de Hoge Raad bevestigde het arrest van het hof voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, waarbij tevens een waarnemend griffier aanwezig was.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd met twee jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.