ECLI:NL:HR:2011:BQ9115

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00490
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid voor toerekenbare tekortkoming in nakoming licentieovereenkomst bloementeeltlicentie

In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een licentieovereenkomst betreffende een bloementeeltlicentie, en of verweerster aansprakelijk kon worden gehouden voor schade door een gebrekkig nieuw ras.

Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen meerdere arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de aansprakelijkheid van verweerster werd besproken. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten die aan deze uitspraak ten grondslag liggen.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep wordt daarom verworpen.

Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, waarvan de hoogte aan de zijde van verweerster is vastgesteld. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de eerdere beslissingen omtrent de aansprakelijkheid in deze licentieovereenkomst.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere aansprakelijkheidsbeslissingen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

24 juni 2011
Eerste Kamer
10/00490
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 98/1683 van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 1998, 15 september 1999 en 5 maart 2003;
b. de arresten in de zaak 03/1193/105.001.156 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 september 2005, 23 februari 2006, 28 augustus 2008 en 22 september 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de voornoemde arresten van 8 september 2005, 23 februari 2006 en 22 september 2009 van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.372,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 juni 2011.