ECLI:NL:HR:2011:BR0395
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 1999. De zaak betrof de vraag of de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden in de periode tussen de uitspraak in hoger beroep en de betekening van de verstekmededeling.
De Hoge Raad stelde vast dat de verdachte sinds april 1999 niet was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente in Nederland en dat geen andere woon- of verblijfplaats bekend was. Hierdoor kon de vertraging in de procedure vanaf april 2000 tot oktober 2009 niet aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend. De verstekmededeling was binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig betekend.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, wat een overschrijding van de redelijke termijn opleverde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden tot 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.