ECLI:NL:HR:2011:BR2359
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid schriftelijke slachtofferverklaring als bewijsmiddel in strafproces
In deze strafzaak stond centraal of een schriftelijke slachtofferverklaring als bewijsmiddel mocht worden gebruikt. De verdachte werd ervan verdacht op 27 juni 2008 opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht te hebben aan het slachtoffer door met twee voeten tegen diens heup aan te springen.
De zaak bevatte diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, proces-verbalen en medische rapporten. Het slachtoffer legde een schriftelijke verklaring af waarin hij de gevolgen van het letsel beschreef. Ten tijde van de behandeling door het Hof was het slachtoffer bevoegd om mondeling te verklaren over de gevolgen van het delict op de terechtzitting op grond van art. 302 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het slachtoffer in dat kader niet als getuige optreedt en dat de mondelinge verklaring niet als bewijs kan worden gebruikt. Dit geldt ook voor een afschrift van die verklaring. Echter, een schriftelijke slachtofferverklaring die buiten art. 302 Sv Pro is vastgelegd, kan wel als bewijs worden gebruikt indien aan de bewijsvoorschriften is voldaan. De invoering van het spreekrecht en het recht van het slachtoffer om documenten aan het dossier toe te voegen, verandert hieraan niets.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde dat het Hof de schriftelijke slachtofferverklaring terecht als bewijsmiddel heeft gebruikt. De overige middelen werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen nieuwe rechtsvragen opriepen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een schriftelijke slachtofferverklaring als bewijsmiddel mag worden gebruikt en verwerpt het cassatieberoep.