ECLI:NL:HR:2011:BR3045
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens onduidelijke uitleg over raadplegen advocaat voorafgaand aan verhoor
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verklaringen van de verdachte, afgelegd tijdens het politieverhoor, uitgesloten moesten worden omdat hij niet voorafgaand aan het verhoor de gelegenheid had gekregen een advocaat te raadplegen, zoals vereist op grond van artikel 6 EVRM Pro en de jurisprudentie van het EHRM (Salduz). De verdachte werd verdacht van het in vereniging buiten Nederland brengen van 36,7 kilogram cocaïne.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van 29 november 2007 uitgesloten moesten worden omdat de verdachte geen rechtsbijstand had tijdens het verhoor. Het hof oordeelde echter dat uit een proces-verbaal van 14 december 2007 bleek dat de verdachte wel op zijn recht was gewezen en dat hij geen gebruik wilde maken van een advocaat. De Hoge Raad vond deze uitleg van het hof niet begrijpelijk en vernietigde het arrest voor zover het betrekking had op dit tenlastegelegde feit en de strafoplegging.
De Hoge Raad bevestigde dat het belang van een eerlijk proces vereist dat een verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor de mogelijkheid krijgt een advocaat te raadplegen. Het hof had onvoldoende gemotiveerd dat dit recht aan de verdachte was medegedeeld en dat hij bewust afstand had gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. Daarom werd de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad wees erop dat er geen sprake was van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting leidt, maar dat de motivering van het hof onvoldoende was om vast te stellen dat het recht op raadpleging van een advocaat was gewaarborgd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting betreffende het tenlastegelegde feit en de strafoplegging.