ECLI:NL:HR:2011:BS1705

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00686 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
  • M.A. Loth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 Wet personenvervoer 2000Art. 52 lid 1d Besluit personenvervoer 2000Art. 457 SvArt. 459 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken bewijsmiddelen

De aanvrager verzocht de Hoge Raad om herziening van een vonnis van de Kantonrechter te Leeuwarden, waarin hij was veroordeeld voor een overtreding van artikel 72 van Pro de Wet personenvervoer 2000 in samenhang met artikel 52, lid 1d van het Besluit personenvervoer 2000. De veroordeling bestond uit een geldboete van € 75,-, subsidiair één dag hechtenis.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek tot herziening aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen stellen strikte eisen aan de gronden en de bewijsvoering voor herziening, waarbij nieuwe feitelijke omstandigheden moeten worden aangevoerd die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat de zaak anders zou zijn beoordeeld.

De aanvrager stelde onder meer dat hij op de pleegdatum gedetineerd was en dat iemand zich vaker voor hem uitgeeft, maar hij leverde geen concrete bewijsmiddelen ter onderbouwing van deze stellingen. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan de wettelijke vereisten.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk en wees het af. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 13 september 2011.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijsmiddelen.

Uitspraak

13 september 2011
Strafkamer
nr. 11/00686 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Leeuwarden, van 26 augustus 2010, nummer 17/033540-10, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 72 Wet Pro personenvervoer 2000 jo. 52, lid ld Besluit personenvervoer 2000", veroordeeld tot een geldboete van € 75,-, subsidiair 1 dag hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. De aanvrager stelt onder meer dat hij nog nooit door de (spoorweg)politie is bekeurd, dat het vaker voorkomt dat een persoon zich voor hem uitgeeft en dat hij op de pleegdatum was gedetineerd. De aanvrage bevat echter geen opgave van bewijsmiddelen waaruit van een en ander kan blijken.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 september 2011.