ECLI:NL:HR:2011:BT2099

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04795
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126m SvArt. 213 SrArt. 67 SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid inzet telefoontap bij uitgifte vals bankbiljet

In deze cassatiezaak stond de vraag centraal of het uitgeven van een vals bankbiljet, strafbaar gesteld in artikel 213 Sr Pro, een misdrijf is dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert in de zin van artikel 126m Sv, en of de inzet van een telefoontap in deze zaak rechtmatig was.

De verdachte werd door het Hof veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten en het zich voordoen onder valse namen om rijexamens af te leggen. De verdediging voerde onder meer aan dat de machtiging tot het afluisteren van telefoongesprekken onrechtmatig was verleend, omdat het uitgeven van slechts één vals bankbiljet geen ernstige inbreuk op de rechtsorde zou vormen, en de inzet van de telefoontap te laat, onnodig en te lang was geweest.

Het Hof verwierp deze verweren en stelde dat het misdrijf van het uitgeven van vals geld naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde inhoudt, ongeacht de omvang of frequentie van het feit. Ook oordeelde het Hof dat de inzet van de telefoontap rechtmatig was, mede gezien eerdere contacten van de verdachte met politie en zijn onbekende verblijfplaats.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven door het misdrijf louter op grond van zijn aard als ernstige inbreuk te kwalificeren en dat de inzet van het dwangmiddel rechtmatig was. Daarmee werd het bewijs verkregen via de telefoontap en de daarop gebaseerde verklaringen toegelaten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het uitgeven van vals geld een ernstige inbreuk op de rechtsorde is en verklaart de inzet van de telefoontap rechtmatig, waardoor het bewijs is toegelaten.

Uitspraak

8 november 2011
Strafkamer
nr. 09/04795
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 november 2009, nummer 23/000210-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Anker, advocaat te Breda, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer van de verdediging dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.
2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"Zaak A, subsidiair
hij op 8 februari 2007 te Amsterdam opzettelijk een vals bankbiljet van 50 euro heeft uitgegeven;
Zaak B, 1 subsidiair
hij op 14 juni 2007 te Amsterdam opzettelijk een vals bankbiljet van 50 euro heeft uitgegeven
Zaak B, 2 primair
hij op 18 september 2007 te Amsterdam met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam [betrokkene 1], examinator bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Amsterdam, heeft bewogen tot de afgifte van een elektronische verklaring van rijvaardigheid, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk in strijd met de waarheid ten behoeve van het afleggen van praktijk autorijexamen een legitimatiebewijs, een theoriecertificaat en een oproeping ten name van[betrokkene 2] aan [betrokkene 1] overhandigd en zich aldus voorgedaan als [betrokkene 2] en in naam van [betrokkene 2] het praktijk autorijexamen afgelegd, waardoor [betrokkene 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
Zaak B, feit 3
hij op 25 september 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam een medewerker van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Amsterdam te bewegen tot de afgifte van een theoriecertificaat met vorenomschreven oogmerk in strijd met de waarheid ten behoeve van het afleggen van theorie examen een verblijfsdocument ten name van [betrokkene 3] aan een medewerker van dat Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft overhandigd, waarop een goedgelijkende foto van hemzelf, verdachte, was bevestigd en zich aldus heeft voorgedaan als [betrokkene 3] en in naam van [betrokkene 3] het theorie examen heeft afgelegd."
2.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. Die behelzen met betrekking tot zaak B feit 2 het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer dat door de Rechter-Commissaris ten onrechte een machtiging tot het afluisteren van telefoongesprekken is verstrekt.
Dienaangaande houden die pleitnotities onder meer in: "Daarbij komt dat art. 126m Sv een verdenking eist van een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het eenmalig uitgeven van een vals bankbiljet valt daar, hoe verkeerd ook, niet onder".
2.3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Bespreking van met betrekking tot het in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde gevoerde verweren
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde. De raadsman heeft hiertoe de rechtmatigheid van de inzet van het dwangmiddel van de telefoontap bestreden, omdat dit dwangmiddel -kort samengevat- te laat, onnodig en te lang is ingezet. Volgens de raadsman levert een -enkel- feit als het uitgeven van vals geld geen ernstige inbreuk op de rechtsorde op en was de waarheidsvinding niet met de inzet van dit dwangmiddel gediend. Aldus levert de inzet van de telefoontap een onherstelbaar verzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dienen de hieruit voortkomende bewijsmiddelen, zoals de tapgesprekken en de daaruitvoortkomende verklaring van de getuige [betrokkene 1] van het bewijs te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 17 september 2007 heeft de officier van justitie op basis van de verdenking van de verdachte van het uitgeven van vals geld op 14 juni 2007, het gegeven dat verdachte vaker met de politie in aanraking was gekomen met betrekking tot dit feit en de verblijfplaats van de verdachte onbekend was, in het kader van de opsporing van de verdachte en de waarheidsvinding, met machtiging van de rechter-commissaris het bevel gegeven tot het opnemen van telecommunicatie voor een periode van ten hoogste twee weken.
Anders dan de raadsman heeft betoogd is het feit waarvan de verdachte wordt verdacht een feit als bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van strafvordering, nu dit feit reeds naar zijn aard - vals geld ontregelt het betalingsverkeer- een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het hof is van oordeel dat de telecommunicatie van de verdachte, mede gelet op het gegeven dat de verdachte vaker met de politie in aanraking was gekomen voor een dergelijk feit, en zijn verblijfplaats onbekend was, ook nog 3 maanden na het feit kon en mocht worden opgenomen. Op basis van de inhoud van de vanaf 17 september 2007 opgenomen telecommunicatie en nader politieonderzoek, waaruit bleek dat de verdachte een theorie-examen voor een rijvaardigheidsbewijs zou gaan afleggen, is de verdachte 25 september 2007 aangehouden in het daarvoor bestemde examenlokaal. Deze feiten en omstandigheden geven evenmin blijk van een onnodig lang inzetten van het bestreden dwangmiddel van opnemen van telecommunicatie.
Het hof is derhalve van oordeel dat de inzet van het dwangmiddel rechtmatig is geschied en de inhoud van de telefoontaps en de uitkomst van het op basis daarvan verrichte onderzoek, zoals de verklaring van de getuige [betrokkene 1], voor het bewijs kunnen worden gebruikt."
2.4. Art. 126m, eerste lid, Sv luidt:
"In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, wordt opgenomen."
2.5. Het middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake was van (verdenking van) een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert in de zin van art. 126m, eerste lid, Sv.
Het oordeel van het Hof komt erop neer dat het misdrijf waarvan hier sprake is, te weten het uitgeven van valse bankbiljetten, strafbaar gesteld in art. 213 Sr Pro, naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en dat daaraan, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet afdoet dat hier sprake was van (de verdenking) van het eenmalig uitgeven van één vals bankbiljet.
Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel betoogt dat het Hof is voorbij gegaan aan de stelling van de raadsman dat het hier ging om het uitgeven van slechts één bankbiljet, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist het dus feitelijke grondslag.
Voor zover het middel berust op de opvatting dat het Hof zijn oordeel niet louter op de aard van het misdrijf had mogen baseren, maar daarbij tevens uitdrukkelijk de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, had dienen te betrekken, kan het evenmin tot cassatie leiden, nu die opvatting, anders dan het middel voorstaat, geen steun vindt in de geschiedenis van art. 126m Sv zoals die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 is weergegeven.
2.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 8 november 2011.