ECLI:NL:HR:2011:BT6391
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Veroordeling poging tot bedreiging met geweld en vermindering jeugddetentie wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot bedreiging met geweld gericht tegen een slachtoffer. De feiten betreffen een incident waarbij verdachte, na vrijlating uit detentie, samen met anderen het slachtoffer onder druk zette om een verklaring aan te passen. Het hof oordeelde dat de bedreigingen, mede gelet op de context en aard van het strafbare feit (brandstichting), een poging tot bedreiging met geweld opleverden.
De Hoge Raad toetste de bewezenverklaring en oordeelde dat het hof de uitlatingen van verdachte en de context terecht als poging tot bedreiging met geweld heeft aangemerkt. De verklaring van het slachtoffer en andere getuigen ondersteunden dit oordeel. Tevens werd vastgesteld dat de bedreiging zodanig was dat bij het slachtoffer de vrees voor geweld redelijkerwijs kon ontstaan.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden vanwege late aanlevering van stukken in de cassatiefase. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen en de zaak werd deels vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde berechting omtrent het strafpunt en de strafoplegging.
Uitkomst: De opgelegde jeugddetentie wordt verminderd tot 173 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn, met bevestiging van de veroordeling voor poging tot bedreiging met geweld.