ECLI:NL:HR:2011:BT6841

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vergoeding beroepsmatige rechtsbijstand op basis van no cure no pay bij WOZ-zaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2009 een WOZ-waarde vastgesteld voor een woning te Z en een daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting van de gemeente Alphen aan den Rijn. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar deze waarde en aanslag. De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraak, verklaarde de beroepen gegrond en verlaagde zowel de WOZ-waarde als de aanslag.

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn stelde tegen het hofarrest cassatieberoep in met vier middelen. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens veroordeelde de Hoge Raad het College in de proceskosten van belanghebbende, waarbij werd bevestigd dat vergoeding van kosten van beroepsmatige rechtsbijstand ook mogelijk is als deze op basis van no cure no pay is verleend.

De uitspraak onderstreept het belang van rechtsbijstand in bestuursrechtelijke procedures en bevestigt dat de vergoeding van kosten niet wordt uitgesloten door de wijze van honorering. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 7 oktober 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het College wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd, met veroordeling in proceskosten inclusief vergoeding van no cure no pay rechtsbijstand.

Uitspraak

nr. 10/05199
7 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 oktober 2010, nr. BK-10/00037, betreffende een ten aanzien van X te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning) voor het jaar 2009 vastgesteld. Aan belanghebbende is voorts voor het jaar 2009 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het gebruik van de woning een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Alphen aan den Rijn opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/3189 WOZ) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde en de aanslag verminderd.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij verdient opmerking dat - zoals het Hof terecht heeft overwogen - aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van "no cure no pay".
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.
Van de gemeente Alphen aan den Rijn wordt ter zake van het door het College ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.