ECLI:NL:HR:2011:BU1368

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03608 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van de herzieningsaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een definitief vonnis van de Rechtbank Arnhem en een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De aanvrager was veroordeeld voor diefstal en poging tot afpersing. De rechtbank had een maatregel opgelegd en het hof had een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan vier voorwaardelijk.

De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, die voorschrijven dat herziening alleen mogelijk is op basis van nieuwe, feitelijke omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een lichtere straf zou hebben geleid.

De aanvrage bevatte geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden. Daarom kon de Hoge Raad de aanvraag niet ontvankelijk verklaren. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees deze af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.

Uitspraak

25 oktober 2011
Strafkamer
nr. 11/03608 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 21 juni 2011, nummer 05/720141-11 alsmede van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 mei 2010, nummer
21/003128-09 betreft, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Vught, locatie De Ley" te Vught.
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van "diefstal" en "diefstal" de maatregel van de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd.
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 4 augustus 2009 - de aanvrager ter zake van "poging tot afpersing" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft bovendien kennis genomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvrage.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 oktober 2011.