ECLI:NL:HR:2011:BU2074

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02969 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feitelijke omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden uit 2006, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De Hoge Raad overweegt dat herziening alleen mogelijk is op grond van nieuwe feitelijke omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

De aanvrager heeft echter geen nieuwe feitelijke omstandigheden of bewijsmiddelen aangevoerd die aan deze voorwaarden voldoen. Hierdoor voldoet het verzoek niet aan de vereisten van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het verzoek niet-ontvankelijk is en wijst het af.

Deze beslissing bevestigt de strikte voorwaarden voor herziening van strafrechtelijke uitspraken en benadrukt het belang van het aanvoeren van concrete nieuwe feiten en bewijzen om een herzieningsprocedure te kunnen starten.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feitelijke omstandigheden en bewijsmiddelen.

Uitspraak

25 oktober 2011
Strafkamer
nr. 10/02969 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 januari 2006, nummer 24/001296-05, ingediend door:
[Aanvrager] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 30 juni 2005 - de aanvrager ter zake van "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een geldboete van € 170,- subsidiair 3 dagen hechtenis.
Bij arrest van 12 juni 2007 heeft de Hoge Raad het door de aanvrager tegen het arrest van het Hof ingestelde cassatieberoep verworpen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niet een beroep op een feitelijke omstandigheid als hiervoor bedoeld en evenmin een opgave van bewijsmiddelen waaruit van zodanige omstandigheid kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 oktober 2011.