ECLI:NL:HR:2011:BU2802
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een strafzaak tegen de verdachte, die op het moment van aanzegging gedetineerd was. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad op 13 december 2011.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot drie jaar en tien maanden. Het overige beroep wordt verworpen.
De Hoge Raad overweegt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de straf met vier jaren.
Het middel van cassatie zelf kon niet tot cassatie leiden en behoefde geen nadere motivering omdat het geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep. De Hoge Raad besluit aldus de straf te verminderen wegens termijnoverschrijding zonder verder in te gaan op de inhoudelijke gronden van het cassatieberoep.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.