ECLI:NL:HR:2011:BU2948

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02584 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 augustus 2009, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en tevens een betalingsverplichting opgelegd aan de benadeelde partij.

De aanvrage tot herziening werd ingediend bij de Hoge Raad, die beoordeelde of de aanvrage voldeed aan de wettelijke vereisten voor herziening zoals neergelegd in artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Deze vereisen dat de aanvrage berust op nieuwe, feitelijke omstandigheden die tijdens het oorspronkelijke proces niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een lichtere straf zou hebben geleid.

De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrage geen nieuwe omstandigheden bevatte die aan deze criteria voldeden. De aangevoerde feiten waren onvoldoende om het onderzoek te heropenen. Daarom werd de aanvrage niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee werd bevestigd dat de eerdere veroordeling in stand blijft en dat de procedure voor herziening niet kan worden voortgezet.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

1 november 2011
Strafkamer
nr. 11/02584 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 augustus 2009, nummer 24/000608-09, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Groningen van 27 februari 2009 - de aanvrager ter zake van "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de aanvrager een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 1 november 2011.