ECLI:NL:HR:2011:BU5687

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01393
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslagen en weigert proceskostenvergoeding

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd over de jaren 1991 tot en met 2000, inclusief verhogingen, boeten en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen en sancties. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de verhogingen en boeten en verminderde de navorderingsaanslagen en heffingsrente.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, terwijl de Staatssecretaris van Financiën zijn cassatieberoep introk. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond, omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad benadrukte dat ervaringsregels als aanvullend bewijs kunnen dienen om het vermoeden te rechtvaardigen dat belanghebbende ook in andere jaren een banktegoed aanhield, maar dat gegevens van meewerkers daarvoor onvoldoende zijn. Tot slot wees de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende af om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten, omdat geen proceshandelingen waren verricht die daartoe aanleiding geven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

Nr. 11/01393
25 november 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 februari 2011, nr. 10/00762, betreffende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, en op het hierna te vermelden verzoek van belanghebbende.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende zijn voorts over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij genomen kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij genomen beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur, de verhogingen en de boeten vernietigd, en de navorderingsaanslagen en de heffingsrente verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie en verzoek belanghebbende
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is aan dit arrest gehecht.
De Staatssecretaris heeft eveneens tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft het beroep ingetrokken.
Na deze intrekking heeft belanghebbende de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft het verzoek doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Wat betreft de middelen die betrekking hebben op de beslissingen inzake verhogingen en opgelegde boeten verdient in dit verband nog opmerking dat het Hof die verhogingen en boeten heeft vernietigd, zodat de klachten - evenals het verweer hiertegen - in zoverre feitelijke grondslag missen.
3.3. Het hiervoor onder 3.2 bedoelde verweer geeft de Hoge Raad nog aanleiding tot de volgende opmerking. In de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2011, nrs. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206, en 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207, wordt in onderdeel 4.8.4 respectievelijk 4.11.4, telkens onder ii, melding gemaakt van aanvullend bewijs, zoals ervaringsregels, op grond waarvan het vermoeden is gerechtvaardigd dat de belanghebbende ook in andere jaren een banktegoed heeft aangehouden. Anders dan het verweerschrift in cassatie suggereert, kan dit aanvullend bewijs niet worden geleverd met alleen gegevens over de gang van zaken bij een (aanzienlijke) meerderheid van de vergelijkingsgroep van de meewerkers. Dit volgt reeds uit datgene wat over die laatste gegevens wordt overwogen in de eerderbedoelde arrestonderdelen onder i, te weten dat de gegevens van meewerkers geen voldoende sterke aanwijzingen geven met betrekking tot de vraag of de belanghebbende persoonlijk in de desbetreffende jaren een rekening aanhield. (Algemene) ervaringsregels daarentegen - evenals feiten van algemene bekendheid - kunnen wél in dit verband dienst doen als een aanvullend bewijsmiddel, omdat zij algemene gelding hebben en daarom ook kunnen worden betrokken op de desbetreffende belanghebbende persoonlijk.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie van belanghebbende.
5. Beoordeling van het verzoek
Belanghebbende heeft ter zake van het ingetrokken cassatieberoep geen proceshandelingen verricht als genoemd in de lijst (A) van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Hoge Raad acht derhalve geen termen aanwezig voor inwilliging van het verzoek.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
en wijst het verzoek af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.