ECLI:NL:HR:2011:BU5777
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlenen vervangende toestemming voor erkenning volgens art. 1:204 lid 3 BW afgewezen
De zaak betreft een verzoek tot verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van een kind op grond van artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De moeder heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het verzoek heeft afgewezen. De man, verweerder in cassatie, heeft geen verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beslissingen van de rechtbank Middelburg en het gerechtshof te 's-Gravenhage en behandelt het cassatieberoep op basis van de stukken. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.
Uiteindelijk wordt het beroep van de moeder verworpen en blijft de beschikking van het hof in stand. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Van Oven op 25 november 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.