Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2011:BU6490

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03645
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27, lid 2, Wet LB 1964Art. 7:11, lid 2, Algemene wet bestuursrechtArt. 8:69, lid 1, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Interne compensatie van loonbelasting en premie volksverzekeringen niet toegestaan

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 juli tot en met 30 november 2004, inclusief heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar de Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof vernietigde deze uitspraak, verklaarde het beroep gegrond en verminderde de naheffingsaanslag en heffingsrente.

De Minister van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat loonbelasting en premie volksverzekeringen afzonderlijke heffingen zijn, ondanks dat ze in één bedrag worden ingehouden. De wetgever heeft dit karakter van afzonderlijke heffingen willen behouden. Daarom moet een naheffingsaanslag met gecombineerde heffing worden beschouwd als een meerledig besluit met afzonderlijke besluitonderdelen.

De inspecteur mag niet op interne compensatie tussen loonbelasting en premie volksverzekeringen baseren bij de beslissing op bezwaar, omdat dit de grondslag van het bezwaar verlaat. Het Hof heeft dit correct toegepast door interne compensatie niet toe te staan. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het Hof. Er werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard; interne compensatie tussen loonbelasting en premie volksverzekeringen is niet toegestaan.

Uitspraak

Nr. 10/03645
2 december 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 juli 2010, nr. 09/00187, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 2004 tot en met 30 november 2004 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/811) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag alsmede de beschikking inzake heffingsrente verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het eerste onderdeel van het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat zogenoemde interne compensatie tussen in één naheffingsaanslag begrepen loonbelasting en premie volksverzekeringen niet is toegestaan.
3.2.1. Evenals de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen zijn de loonbelasting en de premie volksverzekeringen afzonderlijke heffingen. Daaraan doet niet af dat, indien de werknemer ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen, ingevolge artikel 27, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004) de inhouding van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag geschiedt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dit karakter van afzonderlijke heffingen van loonbelasting en premie volksverzekeringen te handhaven (Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 85-86, en Kamerstukken I 1988/89, 20 595, nr. 131b, blz. 2-3). Dit wordt bevestigd door de geschiedenis van de totstandkoming van de (met ingang van 1 januari 2006 vervallen) Wet financiering volksverzekeringen. Daaruit blijkt dat ook bij de gecombineerde heffing de premie volksverzekeringen en belasting herkenbaar blijven (Kamerstukken II 1987/88, 20 625, nr. 3, blz. 11). Dit is ook in overeenstemming met de door de Eerste Kamer aanvaarde motie van de leden Christiaanse en Van Graafeiland (Kamerstukken I 1988/89, 20 595 enz., nr. 190d).
3.2.2. Indien, zoals in het onderhavige geval, gecombineerde heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen plaatsvindt door middel van een naheffingsaanslag, moet de beslissing ter zake van elk van deze afzonderlijke heffingen worden aangemerkt als een besluitonderdeel. Een dergelijke naheffingsaanslag moet daarom in zoverre worden beschouwd als een meerledig besluit. Door zijn uitspraak op het bezwaar tegen een zodanige naheffingsaanslag te baseren op interne compensatie tussen loonbelasting en premie volksverzekeringen verlaat de inspecteur de grondslag van het bezwaar in de zin van artikel 7:11, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht. Het vorenstaande geldt ingevolge artikel 8:69, lid 1, van die wet ook voor de beslissing van de rechter op een beroepschrift.
3.2.3. Het Hof heeft interne compensatie van premie volksverzekeringen met loonbelasting daarom terecht niet mogelijk geacht.
3.2.4. De Staatssecretaris beroept zich tevergeefs op onderdeel 5 van het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, nr. 41160, LJN AW2181, BNB 2007/82, aangezien de onderhavige naheffingsaanslag niet is opgelegd naar het anoniementarief.
3.2.5. Het eerste middelonderdeel faalt derhalve.
3.3. Dit brengt mee dat het tweede middelonderdeel geen behandeling behoeft.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.W.M. Tijnagel als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2011.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Minister van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.