ECLI:NL:HR:2012:BQ7243
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing fiscale eenheid en hybride lening in vennootschapsbelasting
Belanghebbende maakte deel uit van een fiscale eenheid met dochtermaatschappij G, waarbij voor de boekjaren 2001/2002 tot en met 2004/2005 aanslagen vennootschapsbelasting waren opgelegd en gehandhaafd. De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde.
De Hoge Raad oordeelde dat de standaardvoorwaarden voor de fiscale eenheid, waaronder voorwaarde 3f, rechtmatig zijn toegepast. Deze voorwaarden beogen onder meer de beperking van verliesverrekening en de toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969, ook binnen de fiscale eenheid, waarbij vennootschappen worden behandeld alsof zij zelfstandig belastingplichtig zijn.
Voorts bevestigde de Hoge Raad dat het verstrekken van een hybride lening, die fiscaal als eigen vermogen wordt behandeld, onder de reikwijdte valt van artikel 10a, lid 2, letter c, Wet Vpb 1969 als 'andere vorm van aanwending van vermogen'. Ook stallingswinsten vallen onder 'andersoortige aanspraken'. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.