ECLI:NL:HR:2012:BT2520
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsvordering ondanks schikking en vermindert bedrag wegens termijnoverschrijding
In deze zaak ging het om een ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij de betrokkene en het Openbaar Ministerie een schikking overeenkwamen. Volgens deze schikking zou de betrokkene een bedrag van €19.950,- in 57 maandelijkse termijnen betalen, waarna de ontnemingsvordering zou worden ingetrokken en de zaak zou eindigen. De betrokkene betaalde slechts vijf termijnen en stelde vervolgens dat de ontnemingsprocedure was geëindigd vanwege de schikking.
De rechtbank en het hof verwierpen dit verweer en oordeelden dat de ontnemingszaak niet was geëindigd zolang niet aan de schikkingsvoorwaarden was voldaan. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de intrekking van de vordering pas rechtsgevolg heeft als aan de schikking is voldaan, conform de artikelen 511b, 266 en 578a Sv. Het vertrouwen van de betrokkene dat de zaak was geëindigd was niet gerechtvaardigd.
De Hoge Raad vernietigde echter ambtshalve het opgelegde bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en stelde het te betalen bedrag vast op €18.952,-. Het beroep van de betrokkene werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 14 februari 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ontnemingsvordering blijft gelden ondanks de schikking en vermindert het te betalen bedrag tot €18.952,- wegens termijnoverschrijding.