ECLI:NL:HR:2012:BU6786

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02536
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De advocaat-generaal concludeerde tot vermindering van de opgelegde straf en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en vermindert deze tot € 45.000.

De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvindt. Deze overschrijding leidt tot vermindering van de geldboete.

Voor het overige wordt het beroep verworpen, en de Hoge Raad ziet geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging van het arrest. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is uitgesproken op 7 februari 2012.

Uitkomst: De geldboete is verminderd tot € 45.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

7 februari 2012
Strafkamer
nr. S 09/02536
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juni 2009, nummer 21/004991-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 50.000,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 45.000,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 februari 2012.