ECLI:NL:HR:2012:BU7255

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 362 RvArt. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring wegens te late griffierechtbetaling zonder hoor en wederhoor

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam een partij niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het griffierecht één werkdag te laat was voldaan. Volgens het hof was dit conform art. 282a lid 3 en 4 Rv. De Hoge Raad stelt echter dat de rechter niet zonder meer de sancties van deze bepalingen mag toepassen zonder de procespartij eerst in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het verzuim. Dit is een toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor en art. 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze partij niet de mogelijkheid heeft geboden zich uit te laten, waardoor het besluit niet voldoet aan de eisen van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Het beroep in cassatie is ontvankelijk omdat het rechtsmiddelenverbod van art. 282a lid 5 wordt doorbroken bij klachten over het niet toepassen van de hardheidsclausule.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt het belang van een zorgvuldige procesgang en het respecteren van fundamentele procesrechten benadrukt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar een ander hof wegens schending van hoor en wederhoor bij niet tijdige griffierechtbetaling.

Uitspraak

10 februari 2012
Eerste Kamer
11/02656
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in hoger beroep verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 200.080.837/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In de bestreden beschikking heeft het hof op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 362 Rv Pro. [de man] in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de in art. 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken voorgeschreven termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald.
3.2 Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule van art. 282a lid 4 niet heeft toegepast en [de man] terstond en zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld zich over de niet tijdige betaling van het griffierecht uit te laten,
niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het griffierecht één werkdag te laat was bijgeschreven. Aldus heeft het hof volgens het onderdeel het beginsel van hoor en wederhoor en art. 6 EVRM Pro geschonden.
3.3 Hoewel het vijfde lid van art. 282a hogere voorziening tegen een beslissing ingevolge het tweede, derde of vierde lid uitsluit, is het cassatieberoep ontvankelijk, nu naar vaste rechtspraak een rechtsmiddelenverbod wordt doorbroken indien geklaagd wordt dat de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
Het onderdeel houdt een klacht van die strekking in.
3.4 De klacht is gegrond. Indien de rechter constateert dat het door een procespartij verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan, behoort hij niet zonder meer toepassing te geven aan de sancties van de leden 3 of 4 van art. 282a, maar eerst aan die procespartij gelegenheid te geven om zich uit te laten met betrekking tot het geconstateerde verzuim, zodat die partij een eventueel misverstand kan ophelderen of, als zij daarvoor aanleiding ziet, een beroep kan doen op de hardheidsclausule van art. 282a lid 4. Het hof heeft [de man] die gelegenheid kennelijk niet gegeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2011;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel op 10 februari 2012.