ECLI:NL:HR:2012:BU7359

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a lid 3 RvArt. 409a lid 3 RvArt. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over onbillijkheid niet-ontvankelijkheid bij te late griffierechtbetaling

In deze cassatieprocedure stond de ontvankelijkheid van het beroep centraal, omdat het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn was voldaan. De griffie had de advocaat van eiseres een brief gestuurd waarin werd aangegeven dat het griffierecht binnenkort zou worden afgeschreven of dat een acceptgiro zou volgen. De betaling vond uiteindelijk plaats na de termijn die volgens de wet was gesteld.

De advocaat van eiseres voerde aan dat hij mocht vertrouwen op de mededeling van de griffie en dat de betaling daarom tijdig was gedaan. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak (HR 4 november 2011, LJN BU3348) waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was, waarbij sprake was van verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie.

Op grond van die jurisprudentie oordeelde de Hoge Raad dat het opleggen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid in dit geval een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep ontvankelijk en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitkomst: Eiseres wordt ontvankelijk verklaard ondanks te late betaling van griffierecht wegens onbillijkheid van overwegende aard.

Uitspraak

10 februari 2012
Eerste Kamer
11/03930
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. L.C. Blok,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerster 4],
allen wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 05/3485 van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2006 en 26 september 2007;
b. de arresten in de zaak (rolnummer oud C08/92) 105.007.502/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 2009 (tussenarrest) en 28 december 2010 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 7 december 2011 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 [Eiseres] heeft bij dagvaarding van 28 maart 2011 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is op 2 september 2011 voor de eerste maal uitgeroepen ter terechtzitting van de Hoge Raad.
3.2 Bij brief van 5 september 2011 heeft de griffie van de Hoge Raad aan de advocaat van [eiseres] medegedeeld dat het voorlopig griffierecht is vastgesteld op € 710,--. De brief houdt voorts onder meer in:
"Dit bedrag wordt binnenkort afgeboekt van uw rekening-courant of u ontvangt een acceptgiro van de Centrale Financiële Dienst in het Paleis van Justitie".
Het verschuldigde griffierecht is betaald op 5 oktober 2011. Ingevolge art. 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken had het griffierecht moeten zijn voldaan binnen vier weken na uitroeping van de zaak ter terechtzitting. De termijn liep dus af op 30 september 2011.
3.3 De advocaat van [eiseres] heeft in zijn hiervoor onder 2 vermelde brief van 7 december 2011 aangevoerd dat het griffierecht zijns inziens wel op tijd is betaald. Hij heeft ter ondersteuning van zijn betoog een nota overgelegd van 12 september 2011 van de Dienst Financieel-Economische Zaken van de rechtbank 's-Gravenhage. Deze nota houdt onder meer in dat het bedrag van € 710,-- uiterlijk 28 dagen na dagtekening van de nota moet zijn bijgeschreven op de bankrekening van het gerecht. De advocaat betoogt dat het hier gaat om een expliciete mededeling omtrent de betalingstermijn, dat hij zich aan die termijn heeft gehouden en dat hij erop mocht vertrouwen dat hij, aldus handelende, op tijd heeft betaald.
3.4 Het gaat hier om een geval vergelijkbaar met dat van HR 4 november 2011, LJN BU3348, waarin eveneens sprake was van verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie. Op de gronden vermeld in rov. 3.4, tweede en derde alinea, van dat arrest moet ook thans worden geoordeeld dat toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Dit brengt mee dat [eiseres] ontvankelijk is in haar beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rol van 24 februari 2012 voor dagbepaling schriftelijke toelichting.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel op 10 februari 2012.