ECLI:NL:HR:2012:BU8741
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toezeggingen aan getuige volgens artikel 226g Wetboek van Strafvordering
In deze cassatiezaak oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering betreffende toezeggingen aan getuigen in ruil voor verklaringen. De verdachte stelde dat aan een getuige toezeggingen waren gedaan die niet voldeden aan de wettelijke vereisten, waardoor de getuigenverklaringen uitgesloten moesten worden als bewijs. Het hof verwierp dit verweer omdat de mededelingen aan de getuige niet kwalificeerden als toezeggingen in de zin van artikel 226g lid 1 of lid 4 Sv.
Het hof stelde vast dat de opsporingsambtenaren aan de getuige mededelingen hadden gedaan over een mogelijk advies van de reclassering voor plaatsing in een afkickprogramma, het niet opnemen van adresgegevens van de vriendin in een proces-verbaal, en een mogelijke overplaatsing van de verdachte naar een andere gevangenis. Deze mededelingen werden niet gedaan als strafvermindering of andere direct aan de strafzaak gerelateerde afspraken zoals bedoeld in artikel 226g Sv.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg van het hof en verduidelijkt dat de toezeggingen in het eerste lid van artikel 226g Sv uitsluitend zien op strafvermindering en andere kwesties die rechtstreeks verband houden met beslissingen in de strafzaak van de getuige. Toezeggingen die niet onder deze definitie vallen, dienen te worden vastgelegd in een proces-verbaal zoals bepaald in lid 4, maar vormen geen reden tot uitsluiting van bewijs.
Het beroep van de verdachte wordt verworpen, waarmee het oordeel van het hof dat geen onherstelbare vormverzuimen zijn ontstaan en dat de verklaringen van de getuige als bewijs kunnen dienen, wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat er geen onherstelbare vormverzuimen zijn en dat de getuigenverklaringen als bewijs kunnen worden gebruikt.