ECLI:NL:HR:2012:BU8744
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vordering tot doorzoeking ex art. 110 Sv een daad van vervolging is en stuit verjaring
In deze zaak stond centraal of een vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming, zoals bedoeld in artikel 110 van Pro het Wetboek van Strafvordering, kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waardoor de verjaring van de strafvordering wordt gestuit.
Het hof had geoordeeld dat deze vordering geen daad van vervolging was en dat daardoor geen stuiting van de verjaring plaatsvond. De Hoge Raad herhaalt echter de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en stelt dat dergelijke vorderingen wel degelijk daden van vervolging zijn, omdat zij een formele stap vormen in het strafproces die tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing leidt.
De Hoge Raad benadrukt dat het gewijzigde karakter van de bevoegdheid van de officier van justitie sinds 1 februari 2000, waarbij doorzoekingen van niet-geheimhoudersplaatsen vaak zonder rechterlijke tussenkomst kunnen plaatsvinden, niet anders maakt dat de vordering aan de rechter-commissaris zelf een daad van vervolging is. De bestreden beschikking wordt dan ook vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor herbeoordeling.
Daarnaast is in de procedure vastgesteld dat de dagvaarding aan de echtgenote van een medeverdachte rechtsgeldig betekend is, waardoor de verjaring ook in de zaak van de verdachte is gestuit. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van formele vervolgingshandelingen voor het stuiten van verjaring.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een vordering tot doorzoeking ex art. 110 Sv een daad van vervolging is die de verjaring stuit en vernietigt het oordeel van het hof.