ECLI:NL:HR:2012:BU8746
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vordering tot doorzoeking een daad van vervolging is en stuit verjaring
In deze zaak stond centraal de vraag of een vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waardoor de verjaring van het strafrechtelijk onderzoek wordt gestuit.
Het hof had geoordeeld dat deze vordering geen daad van vervolging was en dat daardoor geen stuiting van de verjaring plaatsvond. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en benadrukt dat het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek en de vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming wel degelijk daden van vervolging zijn.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof onjuist is omdat het niet gaat om een zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie zonder rechterlijke tussenkomst, maar om een vordering aan de rechter-commissaris, die een formele daad van vervolging inhoudt.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar het hof voor herbeoordeling. Hiermee wordt bevestigd dat de verjaring door deze vordering wordt gestuit, ook ten aanzien van andere betrokkenen in de zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een vordering tot doorzoeking een daad van vervolging is die de verjaring stuit en vernietigt het oordeel van het hof.