ECLI:NL:HR:2012:BV0641

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05322
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet Vpb 1969Art. 15c Wet Vpb 1969Art. 15d Wet Vpb 1969Art. 16 Wet IB 1964Art. 56 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eindheffing stille reserves bij zetelverplaatsing vennootschap naar Nederlandse Antillen

Belanghebbende, een vennootschap die in 2001 haar feitelijke leiding verplaatste naar de Nederlandse Antillen, werd geconfronteerd met een aanslag vennootschapsbelasting over stille reserves in haar effectenportefeuille. Na bezwaar en diverse rechtsgangen, waaronder een uitspraak van de Rechtbank Arnhem en het Gerechtshof Arnhem, werd de aanslag verminderd maar gehandhaafd.

De kern van het geschil betrof de vraag of de eindheffing over stille reserves bij de zetelverplaatsing in strijd was met artikel 56 van Pro het EG-Verdrag, dat het vrije kapitaalverkeer beschermt. Het Hof oordeelde dat de heffing niet in strijd was met het EG-Verdrag, mede door toepassing van artikel 57 EG Pro, de zogenaamde standstill-bepaling.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de wettelijke regeling van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2001) op de voornaamste punten identiek is aan de regeling die op 31 december 1993 gold. Hierdoor valt de heffing onder de standstill-bepaling en vormt deze geen verboden beperking van het kapitaalverkeer.

Het incidentele beroep van de Staatssecretaris van Financiën werd niet behandeld omdat de voorwaarde voor behandeling niet was vervuld. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de eindheffing over stille reserves bij zetelverplaatsing.

Uitspraak

13 januari 2012
nr. 08/05322
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z, Curaçao (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 november 2008, nrs. 08/00004 en 08/00034, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/5835 VPB) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verder verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende bezat in 2001 een effectenportefeuille waarvan de waarde in het economische verkeer boven de boekwaarde lag. Op 20 december 2001 is de feitelijke leiding van belanghebbende verplaatst naar de Nederlandse Antillen (hierna: de zetelverplaatsing).
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil de vraag of de door de Inspecteur toegepaste eindafrekening over de in de effecten begrepen stille reserves op het moment van de zetelverplaatsing in strijd is met artikel 56 EG Pro. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
3.3.1. Het middelonderdeel dat zich tegen dit oordeel van het Hof richt, faalt.
Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat artikel 56 EG Pro op zichzelf beschouwd in de weg zou staan aan de onderhavige heffing, brengt artikel 57 EG Pro (hierna: de standstill-bepaling) mee dat die heffing geen door het EG-Verdrag verboden beperking oplevert.
3.3.2. Onder een in de standstill-bepaling bedoelde op 31 december 1993 bestaande beperking is mede te verstaan een nationale maatregel die nadien is vastgesteld, indien deze op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving of indien daarin enkel een in de vroegere wetgeving bestaande belemmering wordt verminderd of opgeheven. Daarentegen kan een wettelijke regeling die op een andere hoofdgedachte berust dan de vorige regeling en nieuwe procedures invoert, niet worden gelijkgesteld met die vroegere wetgeving (vgl. HvJ 1 juni 1999, Konle, C-302/97, Jurispr. blz. I-03099, punten 52 en 53, en 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C-446/04, Jurispr. blz. I-11753, punt 192).
De regeling vervat in de artikelen 15c en 15d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2001) is op de voornaamste punten identiek aan de op 31 december 1993 van kracht zijnde overeenkomstige wettelijke regeling van artikel 8, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1993) in verbinding met artikel 16 van Pro
de Wet op de inkomstenbelasting 1964; belanghebbende zou onder de werking van de laatstgenoemde bepalingen op gelijke wijze in de belastingheffing zijn betrokken. Het Hof heeft derhalve terecht geen strijd met het EG-Verdrag aanwezig bevonden.
3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Het incidentele beroep
Nu het beroep in het op 25 november 2011 in de zaak met nummer 08/05323, LJN BN3442, uitgesproken arrest niet tot vernietiging van 's Hofs uitspraak heeft geleid, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Dat beroep behoeft derhalve geen behandeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2012.