ECLI:NL:HR:2012:BV3155

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29f Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad veroordeelt Staatssecretaris in proceskosten cassatie en wijst schadevergoeding af

De erfgenamen van de erflater hebben de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de proceskosten van het cassatieberoep en tot vergoeding van (im)materiële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het cassatieberoep was gericht tegen uitspraken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage over belastingaanslagen en boetebeschikkingen.

De Staatssecretaris heeft het beroep in cassatie ingetrokken. De Hoge Raad beoordeelde het verzoek tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden sinds de indiening van het cassatieberoep op 28 juni 2011. Tevens is een klacht tegen het niet-toekennen van schadevergoeding door het Hof niet ontvankelijk in deze procedure.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten aan de zijde van de erflater, vastgesteld op €874, en wees het verzoek om schadevergoeding af. Dit arrest is gewezen door raadsheren Schaap, Feteris en Koopman en op 10 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Uitspraak

10 februari 2012
nr. 11/02897
Arrest
gewezen op het na te melden verzoek van
de erfgenamen van [A], (hierna: de erflater) gewoond hebbende te
[Z](hierna: de verzoekers).

1.Verzoek

De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep in cassatie, gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 mei 2011, nrs. BK‑10/00722, BK-10/00723 en BK-10/00724, betreffende aan de erflater opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen, ingetrokken. De verzoekers hebben de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie en de Staatssecretaris en/of de Minister van Veiligheid en Justitie te gelasten tot het vergoeden van (im)materiële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De verzoekers hebben de zaak doen toelichten door mrs. G.J.M.E. de Bont en P. de Haas, advocaten te Amsterdam.

2.Beoordeling van het verzoek

De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die de erflater in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 11/02896 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Voor zover het verzoek strekt tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, moet het worden afgewezen, reeds omdat de redelijke termijn sedert de indiening van het beroep in cassatie op 28 juni 2011 niet is overschreden (vgl. HR 7 mei 2010, nr. 09/00274, LJN BM3288, BNB 2010/246, en HR 13 mei 2011, nr. 10/01831, LJN BQ4260, BNB 2011/209). Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een klacht over de niet-toekenning van een schadevergoeding door het Hof wegens overschrijding van de redelijke termijn, komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking reeds omdat er voor behandeling van een dergelijke klacht tegen de uitspraak van het Hof geen plaats is in een procedure als de onderhavige, die uitsluitend gericht is op een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van de erflater, vastgesteld op de helft van € 1748, derhalve € 874, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2012.