ECLI:NL:HR:2012:BV7417

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05410
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 409.2 SvArt. 43 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procesrechtelijke waarborgen bij hoger beroep in strafzaak

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De kern van het geschil betrof de vraag of het Hof terecht heeft aangenomen dat de raadsvrouwe van de verdachte in eerste aanleg niet verplicht was te worden geïnformeerd over het hoger beroep en de terechtzitting, en of de betekening van het hoger beroep aan de verdachte zelf voldoende was.

De Hoge Raad overweegt dat de bijstand van een raadsman in eerste aanleg geldt tot het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of een rechtsmiddel is ingesteld. Het Hof hoefde daarom niet te onderzoeken of de raadsvrouwe een afschrift van de akte rechtsmiddel had ontvangen of op de hoogte was van de zitting in hoger beroep. Daarnaast was de betekening van de appeldagvaarding ruim twee maanden voor de zitting aan de verdachte persoonlijk gedaan, zodat aan de strekking van art. 409, tweede lid, Sv was voldaan.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de procesrechtelijke waarborgen waren nageleefd. Het tweede middel werd niet nader gemotiveerd afgewezen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 4 april 2012.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Hof.

Uitspraak

3 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/05410
KD/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 april 2010, nummer 22/002798-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rotterdam, locatie Hoogvliet" te Hoogvliet.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat art. 51 Sv Pro is geschonden, aangezien aan de raadsvrouwe die de verdachte in eerste aanleg heeft bijgestaan geen afschriften zijn gezonden van de akte waarmee de Officier van Justitie het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep, en het Hof geen onderzoek heeft ingesteld naar de reden van afwezigheid van de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep.
2.2. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman - zoals ingevolge art. 43, eerste lid, Sv de toevoeging van een raadsman - voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg moet als beëindigd worden beschouwd wanneer de desbetreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan dan wel wanneer daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld. Daarom behoefde de enkele omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg door een raadsvrouwe werd bijgestaan het Hof geen aanleiding te geven te onderzoeken of deze raadsvrouwe een afschrift van de akte rechtsmiddel had ontvangen en of zij op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof.
2.3. Voor zover het middel blijkens de toelichting mede klaagt dat het bepaalde in art. 409, tweede lid, Sv niet is nageleefd, geldt het volgende. Voornoemde bepaling strekt ertoe de processuele positie van de verdachte in die zin te beschermen dat hij zo tijdig op de hoogte geraakt van het door de Officier van Justitie ingestelde hoger beroep als nodig is voor de voorbereiding van zijn verdediging. Uit de stukken van het geding volgt dat aan de verdachte reeds op 15 januari 2010 in persoon de appeldagvaarding is uitgereikt voor de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2010. Onder die omstandigheden mocht het Hof aannemen dat aan evenweergegeven strekking was voldaan en behoefde het mitsdien geen blijk ervan te geven te hebben onderzocht of aan het bepaalde in art. 409, tweede lid, Sv was voldaan.
2.4. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 4 april 2012.