Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BV8280

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01796
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat ontvangen koopsommen niet wederrechtelijk zijn toeëigenen bij niet-levering

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het niet leveren van dvd's na ontvangst van koopsommen kon worden gekwalificeerd als verduistering onder artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof sprak de verdachte vrij van de subsidiair tenlastegelegde feiten van verduistering, omdat de ontvangen geldbedragen na betaling eigendom waren geworden van de verdachte en daarmee niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar waren.

De verdachte had samen met een medeverdachte dvd's van de tv-serie Charmed te koop aangeboden en koopsommen ontvangen van kopers, maar de levering van de dvd's was uitgebleven. Het hof oordeelde dat dit niet volstond voor het aannemen van verduistering, omdat de koopsommen volgens het burgerlijk recht eigendom waren geworden van de verkopers.

In cassatie stelde de Advocaat-Generaal voor het arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen, maar de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie over het begrip wederrechtelijke toe-eigening en oordeelde dat het niet leveren van de tegenprestatie geen reden is om af te wijken van de regel dat de ontvangen koopsom eigendom wordt van de verkoper.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde de vrijspraak van de verdachte voor verduistering. Hiermee werd bevestigd dat het niet nakomen van een contractuele verplichting niet automatisch strafrechtelijk als verduistering kan worden aangemerkt.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het niet leveren van goederen na ontvangst van koopsommen geen wederrechtelijke toe-eigening is en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

2 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/01796
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 december 2010, nummer 20/000781-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij zijn vrijspraken ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde feiten de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
2.2. Aan de verdachte zijn vijf feiten tenlastegelegd. Primair is telkens het medeplegen van oplichting tenlastegelegd, subsidiair is telkens tenlastegelegd dat - kort samengevat - de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een geldbedrag toebehorende aan een ander, welk goed hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2.3. Het Hof heeft de verdachte van de feiten vrijgesproken. Het Hof heeft ten aanzien van de telkens subsidiair tenlastegelegde feiten daartoe het volgende overwogen:
"Het hof acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde verduistering, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande dat verduistering in de zin van artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht de wederrechtelijke toe-eigening is van een goed dat aan een ander toebehoort en dat men anders dan door misdrijf onder zich heeft. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - kort gezegd - dat verdachte samen met zijn medeverdachte dvd's van de TV-serie Charmed te koop heeft aangeboden, koopovereenkomsten heeft gesloten met de in de tenlastelegging genoemde aangevers en ter betaling van de koopsom geldbedragen heeft ontvangen van die aangevers. In strijd met de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting is levering van die dvd's echter uitgebleven.
Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte zich aan een ander toebehorende geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De geldbedragen zijn immers bij de storting in eigendom overgedragen aan de wederpartij - zijnde verdachte en/of zijn medeverdachte - zodat deze gelden niet meer voor toe-eigening vatbaar waren."
2.4. De tenlastelegging is wat betreft de subsidiair tenlastegelegde feiten toegesneden op art. 321 Sr Pro. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "wederrechtelijk zich heeft toegeëigend" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde - in de vervoeging "wederrechtelijk zich toeëigent" - in dat artikel voorkomende uitdrukking. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. HR 24 oktober 1989, LJN ZC8253, NJ 1990/256).
2.5. Het Hof heeft geoordeeld dat de geldbedragen die door de kopers zijn overgemaakt aan de verdachte en/of haar medeverdachte - de verkoper(s) - na ontvangst daarvan niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening door de verdachte en/of haar medeverdachte vatbaar waren. Dat oordeel berust kennelijk op de opvatting dat in de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden is te vinden om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren. Die opvatting is juist, zodat het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 2 oktober 2012.