ECLI:NL:HR:2012:BV8650

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02288 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in verkrachtingszaak

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2000, waarbij de aanvrager was veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege wegens twee gevallen van verkrachting.

De Hoge Raad beoordeelt of het verzoek tot herziening voldoet aan de vereisten van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen moet het verzoek nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde feiten bevatten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.

De Hoge Raad stelt vast dat de aanvrage geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden bevat. Daarom kan het verzoek niet worden ontvangen en wordt het niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met de raadsheren Splinter-van Kan en Groos, en uitgesproken op 13 maart 2012.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan nieuwe feiten.

Uitspraak

13 maart 2012
Strafkamer
nr. S 10/02288 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 november 2000, nummer 22/002127-00, ingediend door:
[Aanvrager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, verblijvende volgens de aanvrage in het Forensisch Psychiatrisch centrum "Oldenkotte" te Rekken.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met aanvulling en verbetering van gronden, behoudens voor zover het de beslissing betreft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 10 juli 2000, waarbij de aanvrager ter zake van 1. "verkrachting" en 2. "verkrachting" is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en waarbij is bevolen dat de aanvrager ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft bovendien kennis genomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvrage.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 13 maart 2012.