ECLI:NL:HR:2012:BV8934
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afschrijving herinvesteringsreserve bij vastgoedexploitatie
Belanghebbende, exploitant van vastgoed, had voor het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de aanslag gehandhaafd, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verminderde de aanslag. Belanghebbende stelde tegen deze uitspraak cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de wijze van afschrijving van bedrijfsmiddelen waarbij belanghebbende de aanschafwaarde splitste in een restwaarde en een afschrijvingsdeel, en vervolgens de herinvesteringsreserve pro rata afboekte van de restwaarde en het af te schrijven deel. Het Hof oordeelde dat deze methode geen steun vindt in de wet, omdat volgens de artikelen 3.30 en 3.54 Wet IB 2001 de aanschafkosten moeten worden vastgesteld na afboeking van de herinvesteringsreserve, waarna de restwaarde wordt bepaald voor de afschrijvingsbasis.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat de methode van het Hof arbitrair zou zijn en dat de wet geen voorschrift geeft over de wijze van afboeken. De Hoge Raad achtte het oordeel van het Hof juist en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting blijft verminderd volgens het Hof.